Men kan het rijk der gedachten vergelijken met een gewoon rijk, sprak Me-ti verachtelijk. Er heerst de ergste onderdrukking. Een andere ordening dan onderdrukking bestaat niet. Bepaalde groepen komen aan de macht en onderwerpen alle overige. Niet de prestatie geeft de doorslag, maar de afkomst en de connecties. De nuttigen worden gedwongen de machtigen te dienen. Zij die eenmaal de macht in bezit hebben houden allen die na hen opkomen, eronder.
Bertolt Brecht – Me-Ti, Boek der Wendingen (1930-1942)

 

Vrijheid van meningsuiting en een onafhankelijke kritische pers worden terecht als basisvoorwaarden voor democratie gezien. Het eerste lijkt daarbij een voorwaarde voor het tweede. Deze voorstelling van zaken is niet geheel onjuist, maar kan het zicht op de werkelijke gang van zaken behoorlijk verduisteren. Zeker als “vrijheid van meningsuiting” en “democratie” als een soort absolute grootheden gezien worden die verder geen onderzoek behoeven. Helaas is dat maar al te vaak het geval.Het “verdedigen van de absolute vrijheid van meningsuiting” als belangrijkste reactie op de onthoofding van Charlie Hebdo begin 2015 is een duidelijk voorbeeld van die blikver­nauwing. Vrijheid van meningsuiting op zich is onvoldoende basis voor een democratisch debat. In dit hoofdstuk worden de voorwaarden onderzocht van politieke menings­vorming. En daarmee de basisvoorwaarden voor een democratische besluitvorming.Een “uiting” is altijd onderdeel van een proces van meningsvorming en kan niet als losstaand fenomeen beschouwd worden. Het gaat niet alleen om het spreken of schrijven maar juist om het gehoord en gelezen worden. En, misschien nog belangrijker, het begrepen worden en een reactie krijgen. Het is essentieel om het hele proces te bekijken. Daarbij gaat het niet om een verschil van mening met je buurman of vriend maar om politieke meningsvorming, waarbij politiek breed moet worden opgevat als “inrichting en werking van de maatschappij en haar organen”. Waaronder uiteraard religies en andere ideologische instellingen.Over het algemeen loopt de uiteindelijke besluitvorming over concrete zaken via verkozen vertegenwoordigers. De meest eenvoudige vorm van meningsuiting is dan het uitbrengen van een stem op de vertegenwoordiger van wie de standpunten het meest met jouw mening overeen komen. Het is een uitzondering dat alle belanghebbenden zich direct over een bepaald voorstel kunnen uitspreken middels een referendum. Hier wordt de beperking van de gangbare idee van de absolute vrijheid van meningsuiting duidelijk. Men kan slechts kiezen uit een beperkt aantal kandidaten, georganiseerd in een nog beperkter aantal partijen, die sinds de ondergang van de zuilen helaas een nog beperkter verschil van mening hebben. Wat betekent dat er geen wezenlijk verschillende keuzes meer gemaakt kunnen worden. Het lijkt er dan op dat de meningen vrijwillig gelijkgeschakeld zijn. Of, van de andere kant bekeken, men het eens is. Alle meningen die buiten dat betoog vallen, worden in toenemende mate genegeerd, als ze al tot de openbaarheid doordringen. Daarom zou gesteld kunnen worden dat de absolute vrijheid van meningsuiting in wezen onverschillig staat tegenover de inhoud en daarmee leidt tot non-communicatie.CommucratieIn de verdere beschouwing gaat het in de eerste plaats over talige communicatie: de discussie die aan een besluit vooraf gaat. Koopgedrag (marktgedrag), verkiezing van personen op functies en eventuele andere vormen van maatschappelijke communicatie komen meer zijdelings aan de orde. In plaats van “vrijheid van meningsuiting” kunnen we beter van “recht op deelname aan de maatschappelijke politieke communicatie” spreken, dat is duidelijker. Nog meer dan “vrijheid van meningsuiting” is het een tongbreker en ik noem het voorlopig maar even commucratie. Een samentrekking van democratie en communicatie. Democratie in enigerlei vorm kent als fundament het recht op deelname aan die commucratie.Deze verschuiving van het uiten van een mening naar maatschappelijke communicatie heeft een aantal belangrijke voordelen:

  • Niet alle uitingen vallen onder commucratie. Persoonlijke uitwisselingen vallen buiten het politieke, al vallen ze niet buiten ieder recht. En kunnen ze wel een politieke lading hebben. Reclame, lifestyle en (plat)amusement lijken hier grotendeels buiten te vallen maar hebben toch vaak een maatschappelijke stuur-dimensie. Zij bezetten bijvoorbeeld een communicatiekanaal dat daardoor aan de politieke communi­catie onttrokken wordt of er wordt impliciet of expliciet in een bepaalde richting gestuurd. Bijvoorbeeld het propageren van (onnodige) consumptie. We komen erop terug.
  • Door als uitgangspunt niet de uiting zelf te nemen maar de uitwisseling van meningen, wordt het doel duidelijk, namelijk het overtuigen van de ander (de andere partij), het vinden van overeenstemming met die ander en daarmee waarheidsvindingof het bereiken van enige vorm van consensus of compromis. Er kan zo beter getoetst worden of uitingen aan dat doel voldoen. Een uiting zal minder aan het doel van commucratie voldoen naarmate de ontvanger die uiting niet, slecht of verkeerd begrijpt. Of naarmate uitingen expliciet als manipulerend eenrichtingsverkeer moeten worden gezien. Het betreft dan propaganda en reclame. Uitingen kunnen zo op werkzaamheid worden geordend en eventueel uitgesloten of zelfs verboden.
  • De definitie sluit in principe ook verkiezingenen het handelen op markten in. In de Latijnse en Griekse cultuur viel de plaats van openbare discussie, besluitvorming en handel samen: het forum of de agora. Stemmen en handel drijven zijn daden van communicatie. Is dat van stemmen vrij duidelijk, van handel ligt het minder voor de hand. Maar ook handel betekent een vorm van instemming of uitsluiting. Koopt men een peer in plaats van een appel dan heeft dat potentieel tot gevolg dat producenten en handelaren meer peren en minder appelen op de markt zullen brengen.
  • Uitingen die aanmoedigen de woordenstrijd te vervangen door fysieke strijd (oproepen tot geweld) vallen buiten de commucratie. Zij zijn terecht verboden. Het is een kenmerk van totalitaire, niet-democratische staatsvormen om met geweld ongewenste meningen af te straffen of daarmee te dreigen.
  • Leugens vallen eveneens buiten de commucratieen dienen verboden te zijn. Daarover hieronder een nadere beschouwing.
  • Ad-hominemskunnen binnen de orde van commucratie  Indien zij op een of andere wijze een relevante samenvatting van iemands gedrag en standpunt zijn, worden ze toegelaten. Iemand een bedrijfspoedel noemen kan als functioneel gebruik gezien worden, iemand een hoerenzoon noemen niet.
  • De verschuiving naar communicatie brengt ook strategische overwegingen in het zicht. Zie verderop.

Over “de Waarheid”Orwelliaanse geschiedvervalsingThe Party said that Oceania had never been in alliance with Eurasia. He, Winston Smith, knew that Oceania had been in alliance with Eurasia as short a time as four years ago.But where did that knowledge exist? Only in his own consciousness, which in any case must soon be annihilated. And if all others accepted the lie which the Party imposed – if all records told the same tale –then the lie passed into history and became truth. ‘Who controls the past,’ ran the Party slogan, ‘controls the future: who controls the present controls the past.’ And yet the past, though of its nature alterable, never had been altered. Whatever was true now was true from everlasting to everlasting. It was quite simple. All that was needed was an unending series of victories over your own memory. ‘Reality control’, they called it: in New-speak, ‘doublethink’.
George Orwell, 1984, p. 30 (1948)In naam van de vrijheid van meningsuiting en “de democratie” wordt gefulmineerd tegen een verbod op het ontkennen van belangrijke historische gebeurtenissen, met als belangrijk voorbeeld de holocaustontkenning. Een regelmatig gehanteerd argument is het beroep op de risico’s die dat opent voor een totalitair regime dat wel zal bepalen wat de waarheid is. Dat is onjuist. Totalitaire regimes zullen altijd de historische waarheid naar hun hand willen kunnen zetten en daar slagen ze meestal vrij goed in. Of de in de daaraan voorafgaande democratie de waarheid beschermd is maakt niet uit. Voor totalitaire ideologieën is het noodzaak de historie in overeenstemming met hun wereldbeeld te brengen; of ze nu aan de macht zijn of niet. Juist naarmate ze er onder democratische condities beter in slagen hun leugens als waarheid te verkopen, wordt de kans groter dat ze aan de macht komen.Het is in een democratische samenleving van belang (grove) leugens uit het politieke debat te weren teneinde totalitaire tendensen zo min mogelijk kans te geven. Als die eenmaal aan de macht zijn is het te laat. Uit de historie zijn genoeg voorbeelden bekend van verdraaiingen die een rol gespeeld hebben bij het aan de macht komen van een totalitair regime vanuit een democratisch startpunt. De “Protocollen van de wijzen van Zion” en de Reichstag-brand zijn bekende voorbeelden. Met als kanttekening dat die eerste in veel Arabische landen en daardoor ook bij bepaalde groepen migranten wederom een rol in de propaganda spelen.Het tweede argument waarom grove waarheidsontkenning of -verdraaiing – of dat nu om wetenschap of geschiedenis gaat – volgens de voorstanders zou moeten worden toegestaan, is dat in een open maatschappij de burgers zelf kunnen bepalen wie ze geloven en het de taak van de waarheidskenners is om leugens tegen te spreken en door te prikken. Waarna de burger als vanzelf de kant van de waarheidsspreker zal kiezen. Dit getuigt van een grote naïviteit over de kwaliteit van het publieke debat en de deelnemers daaraan.Zelfs als de omstandigheden redelijk optimaal zijn en de gemiddelde burger zich van beide kanten informeert, is het de vraag waar de waarheidsspreker zijn autoriteit op kan baseren. Als we even kijken naar het heden in plaats van de historie, dan zien we dat in veel zaken het geloof in bredere zin een grote invloed heeft op wat men voor waar wenst aan te nemen of niet. De meeste mensen zijn op een bepaalde manier vooringenomen, is het niet door expliciete indoctrinatie vanaf een kansel, dan wel door hun eigen ervaringen en belangen. Zo zijn er belangrijke groepen die vasthouden aan de idee dat 9/11 het werk van de Amerikaanse inlichtingendienst was. Als we op “NLP” (Neuro Linguistic Programming) zoeken in Google dan komen er zeer veel positieve hits en alleen als men de moeite neemt om de Wiki goed te lezen of “criticism” toevoegt, weet men dat het pseudoscience is. De ontkenning van de klimaatverandering is ook een bekend voorbeeld, waarbij zelfs een genuanceerd tegenbetoog weinig kans maakt. In de VS heeft er in diverse staten tot in de jaren 2000 een strijd gewoed waarbij onderwijs in de evolutietheorie zo niet verboden, dan toch wel bemoeilijkt werd, en in ieder geval pogingen werden gedaan creationisme op een gelijk niveau in het curriculum op te nemen. Mede dank zij gerechtelijke uitspraken (verboden dus) is dit nu voorbij. Recentelijk kan men het frame dat Zwarte Piet rascisme zou zijn als voorbeeld nemen. In al deze gevallen blijkt een flinke groep niet bevattelijk voor de waarheid, zelfs als die met enige slagen om de arm gepresenteerd wordt en de argumenten nauwkeurig weerlegd worden. Zoals we aan de voorbeelden kunnen zien, geldt het niet alleen voor belangrijke historische gebeurtenissen in engere zin, maar ook voor (natuur)wetenschappelijke ontdekkingen uit het verleden.Misschien nog belangrijker is dat er geen sprake is van “optimale omstandigheden”; een neutrale debatstructuur. De publieke media zijn niet neutraal, hebben een bepaalde kleur en zijn verbonden met bepaalde politieke en zakelijke belangen. Iemand die in de Telegraaf iets leest zal niet gauw de tegenmening in de Volkskrant tot zich nemen. En als die twee dezelfde boodschap brengen (bijvoorbeeld dat het associatieverdrag met Ukraine prima is) wordt het zelfs met goede wil moeilijk om een andere mening te horen. We zouden ons ook kunnen afvragen waarom een minister die onjuist informeert, gestraft kan worden en publieke, politieke uitlatingen van anderen daarvan uitgesloten zouden zijn. De consequenties kunnen in sommige gevallen minstens zo erg zijn.Iemand voor fascist uitmaken gaat heel gemakkelijk, en zonder kennis van zaken. Door het opdrukken van dat stempel voelt een aantal personen zich gelegitimeerd om geweld te gebruiken. Belangen kunnen ook door middel van gekochte meningen het debat vergaand uit het lood trekken, zoals bijvoorbeeld in de klimaatdiscussie gebeurt. Leugens, vervalsingen of verdraaiingen in het publieke debat dienen altijd een politiek belang. De holocaustontkenning bedient bijvoorbeeld het antisemitisme. Het zijn geen onschuldige meningsverschillen.Betekent dat dan dat er waarheden zijn die niet betwist zouden mogen worden? Voor veel geschiedkundige feiten zou dat inderdaad zo moeten zijn. Slechts op details zouden correcties mogelijk zijn. Af en toe wordt bijvoorbeeld de Holocaust gerechtvaardigd omdat de Joden een gevaar voor de maatschappij zouden zijn (gebaseerd op de fabricatie van de Protocollen van Zion). Dat is natuurlijk geen onschuldig detail. Naarmate de tijd verstrijkt wordt onderzoek naar geschiedkundige feiten waarmee nieuw licht op de feiten geworpen kan worden steeds moeilijker. Voor wetenschappelijke waarheden geldt dat slechts wetenschappelijk onderzoek nieuw inzicht kan brengen dat discussie rechtvaardigt. Voor historische gebeurtenissen is het bewijzen van nieuwe feiten na verloop van tijd veel moeilijker.Bij actuele politieke onderwerpen, bijvoorbeeld de situatie in Ukraine, zal het vaak moeilijk zijn om informatie te verifiëren. Veel opinies zijn gebaseerd op inschattingen. Het zal duidelijk zijn dat de marges tussen leugen en waarheid in zo’n situatie veel ruimer zijn en er niet snel sprake kan zijn van een verbod.Juist om de democratie en het daarbij behorende debat te beschermen dienen vervalsingen en verdraaiingen van belangrijke zaken verboden en bestraft te worden. De rechtszitting kan dan gebruikt worden om de waarheid nog eens goed over te brengen.Commucratie is cultureel begrensdEen meningsuiting is geadresseerd aan een bepaald publiek en moet door dat publiek begrepen kunnen worden om mee te tellen. Dat wil nog niet zeggen dat dat publiek verplicht is er kennis van te nemen. Dat is alleen het geval als dat in formele procedures is vastgelegd. Bijvoorbeeld de regering die kennis moet nemen van standpunten en vragen uit het parlement en daarop moet antwoorden.De zender en de (beoogde) ontvanger van een mening moeten enigszins tot een zelfde gemeenschap behoren. Binnen die gemeenschap moet men het er min of meer over eens zijn dat wat A zei inderdaad een mening was die voor B bedoeld was. Aan de andere kant kan ook publiek waarvoor de communicatie niet bedoeld is er toch kennis van nemen en daar een andere betekenis aan verbinden dan de spreker (zender) bedoeld heeft. Zich bijvoorbeeld beledigd voelen door een uitspraak die helemaal niet aan hen gericht is. De vraag onder welke omstandigheden de spreker daar rekening mee moet houden, komt later aan de orde. Een dergelijke gemeenschap wordt afgegrensd in tijd, ruimte, taal/medium en ideologie. Het feit dat deze grenzen vervagen en steeds meer de gehele wereld in een communicatief netwerk lijkt te zijn opgenomen, levert de nodige problemen op. Het was een stuk eenvoudiger toen de geleerden en priesters zich van Latijn bedienden, waarmee het publiek (zowel schrijvers als lezers) behoorlijk was afgebakend.De cartoonrellen zijn een goed voorbeeld van de problemen die kunnen optreden. De uiting was bedoeld voor laten we zeggen de Deense (seculiere, christelijke) bevolking, de lezers van de krant waarin ze verschenen. Je vraagt je dus af waar de mensen in Iran zich mee bemoeiden. Iets vergelijkbaars gold voor het “geitenneuker” van Theo van Gogh. Hier wordt zichtbaar dat de vrijheid van meningsuiting in feite een “lokaal” recht is, dat door het wegvallen van dat lokale door migratie en moderne communicatie­technologie problematisch wordt.Over strategie: Wie is het doel van een uitingIn de discussie over cartoons van Charlie Hebdo, over de columns van Theo van Gogh, over sketches van Hans Teeuwen gaat het meestal over hun onverkorte recht zich zo te mogen uiten. Zolang zij de feiten niet verdraaien (op een zodanige wijze dat niet voldoende duidelijk is dat het om een parodie of andere dichterlijke overdrijving gaat), is dat inderdaad hun onverkorte recht waar niet aan getornd mag worden. Maar de vraag mag wel gesteld worden wat het politieke doel (in brede zin) is van die uiting en tot wie de uiting gericht is. Vervolgens kan de vraag gesteld worden of die uiting effectief is. Heeft het zin een publieke figuur of groep die tot een andere cultuur behoort te beledigen of te belasteren? Zoals hiervoor aangegeven speelt commucratie zich af binnen een cultuur. Het doel van belediging kan zo alleen zijn om aan een groep binnen onze cultuur die gelooft dat alle wereldburgers fatsoenlijke mensen zijn, aan te tonen dat die anderen niet tot onze cultuur behoren omdat zij beledigingen beantwoorden met fysiek of economisch geweld of de dreiging daarmee. Het is de vraag of dit de beste manier is om dit aan te tonen. De gevolgen kunnen te ernstig zijn om het alleen te doen om te bewijzen dat je vrijheid van meningsuiting hebt.Een gedachtenexperimentOm een beter idee van het probleem van de commucratie te maken het volgende gedachtenexperiment. Een groep van honderd individuen vormt een samenleving. Daarvan worden er vijf verkozen in een bestuur en die kiezen uit hun midden één persoon die de dagelijkse gang van zaken regelt. Gemakshalve noemen we deze de (democratisch gekozen) koning. Elk van de honderd verricht een bepaalde taak voor de gemeenschap en krijgt op grond daarvan een bepaald salaris. Laten we zeggen dat er per maand duizend te verdelen is en dat individu A daar voor zijn taak, het schoonmaken van de toiletten, 4,75 van krijgt. Hoewel niet allemaal even slim en bekwaam zijn de honderd wel zo gelijk dat ze allemaal een mening hebben over de hoogte van het bedrag dat zijzelf en de anderen krijgen. Toevallig of niet, ieder van de honderd heeft een eigen mening die met andere argumenten op een andere verdeling uitkomt. Er zijn dan honderd varianten met in het ergste geval ieder honderd verschillende bedragen. Die moeten geuit worden en op één of andere manier tot overeenstemming worden gebracht. Elk van de vijf vertegenwoordigers heeft zijn vertegenwoordigende functie te danken aan het feit dat hij het beste in staat was uit die honderd meningen een combinatie te kiezen waarmee hij voldoende stemmen in de verkiezingen kon verwerven. Deze vijf zijn er na harde onderhande­lingen in geslaagd tot één standpunt te komen dat het beste aan de totaliteit van hun vijf standpunten tegemoet komt.De situatie is nu wezenlijk veranderd. De honderd individuele meningen doen er minder toe en de vijf standpunten van de vijf vertegenwoordigers worden als referentiepunt genomen, waarbij het standpunt van de “koning” vermoedelijk wat meer gewicht in de schaal legt. Deze standpunten zijn nu het onderwerp van meningswisseling en elk van de honderd zal nu niet meer in de eerste plaats proberen zijn eigen mening gehoord te laten worden, maar met nieuwe argumenten proberen deze standpunten te beïnvloeden.Met andere woorden: men is blij dat men niet (meer) met zijn honderden in debat hoeft over honderd meningen. Mensen die nu een eigen, nieuwe mening willen uiten zullen daar goede redenen voor aan moeten voeren, anders zullen ze worden weggehoond met de terechte mededeling dat men wel wat beters te doen heeft.Wat te doen als men van mening verandert? Voor het geval men overgaat op de mening van een van de andere vijf vertegenwoordigers, kan men eenvoudigweg op hem stemmen bij een volgende gelegenheid. En men kan proberen anderen te overtuigen dat ook te doen. Met een “nieuwe” mening of nieuwe argumenten kan dat niet. Bij voorkeur zal men dan proberen deze argumenten of inzichten te slijten aan een van de vijf zittende vertegenwoordigers. Pas als dat niet lukt, zal men zelf aan de verkiezingen meedoen en proberen bij de andere 99 leden van de gemeenschap gehoor te vinden.Uit bovenstaand voorbeeld wordt duidelijk dat er belangrijke beperkingen zijn aan de mogelijkheden van meningsuiting en eventuele rechten daarop. De basisvoorwaarden voor geslaagde commucratie:

  • De uiting vindt plaats voor een relevant gehoor. Dat wil zeggen voor personen die de mening kunnen begrijpen en die er ook gevolg aan kunnen geven.
  • De meningsuiting bevat nieuwe informatie voor dat gehoor. Uitingen die niets toevoegen aan de reeds bestaande kennis van het gehoor hebben geen betekenisvolle communicatie tot gevolg.
  • De meningsuiting wordt waargenomen (begrepen) door dat gehoor.
  • De toehoorder geeft antwoord. Dat kan een eenvoudige afwijzing of instemming zijn of een uitgebreidere vorm van tegenmening. In dat laatste geval ontstaat er een meningswisseling of discussie.

Direct uit (1) volgt dat er schaarse mogelijkheden zijn voor (nieuwe) uitingen. Het “relevante gehoor”, bijvoorbeeld Tweede Kamerleden, heeft maar beperkte mogelijkheden in tijd en plaats om meningen tot zich te nemen en daarop te reageren. Daaruit volgt weer dat de toegang tot plaats en tijd van de meningswisseling beperkt wordt door selectiemechanismen, die bepalen of een mening nieuw en relevant genoeg is om tot uiting te worden gebracht. Aan dat recht is onverbrekelijk een beoordeling verbonden over het relevant zijn van de mening.In Nederland voldoet alleen de schrijvende pers (al of niet in de vorm van een internetkanaal) aan de eisen voor een commucratie, zij het ver beneden het gewenste peil. Op TV is de meningsvorming die aan democratische besluitvorming ten grondslag zou moeten liggen een farce, een zeer hoge uitzondering daargelaten. Die pers staat zwaar onder druk, met een steeds geringere financiële ruimte voor onafhankelijke journalistiek. De afhankelijkheid van informatiebronnen wordt groter en ter wille van de advertentie-inkomsten is er een voortdurende druk om lifestyle, sport en vermaak een belangrijker plaats te geven en al te kritische meningen te vermijden. Dit nog afgezien van de politiek eenzijdige samenstelling van het journaille en de minimale onzekere verdiensten voor steeds meer auteurs. De verschillende organen gaan dan ook, op een enkele uitzondering na, steeds meer op elkaar lijken en produceren een eenheidsworst, waar de werkelijk kritische mening bij uitzondering als een knapperig stukje vlees aan toegevoegd wordt. Voor de show.Internet: het moderne “bewustzijn”Op internet zijn uitingen uiterst vluchtig. Ze raken snel ondergesneeuwd in het geweld van de miljoenen andere breinen die iets menen te zeggen te hebben. Het lijkt democratisch: iedereen een kans om wat te zeggen. Maar wie luistert er? Wie heeft er nog tijd om te ontvangen als iedereen de hele tijd aan het zenden is? De kanalen zijn bezet en het kost veel geluk, doorzettingsvermogen of geld om ook maar enige extra aandacht te genereren. En dan: het beklijft niet, gaat ten onder in de waan van de dag. Ook in de papieren wereld is dit steeds meer het geval. Met alle meninkjes van columnisten en briefschrijvers en een steeds grotere stapel boeken die om aandacht zeuren. Om over het vermogen bij de gemiddelde lezer een iets ingewikkelder tekst te begrijpen maar te zwijgen. En helaas is de werkelijkheid onbevattelijk complex zodat teksten die daar ook maar een klein beetje ordening in proberen te scheppen al gauw te moeilijk worden gevonden.De versnippering van de aandacht over een miljoen auteurs die zeer frequent meningen voortbrengen leidt tot ruis, een soort van chaos waarin uiteindelijk niets overblijft. Wat wordt er gehoord, door wie is dat gezegd en wat blijft daarvan hangen? Het resultaat zou wel eens nul kunnen zijn.Uiteindelijk werkt deze vluchtigheid door in het bewustzijn van het individu. Dat “weet” het ook niet meer: in het informatietijdperk krijgt het bewustzijn de vorm van een opeenhoping van ongebonden meningen. Men kan zich niet meer aansluiten bij de mening van de ander; als uniek individu ben je verplicht tot het hebben van een eigen mening.Als een groep mensen een maatschappelijke gebeurtenis op dezelfde wijze opvat, en zich van deze gedeelde interpretatie bewust is, spreek ik van een intens bewustzijn, een collectief bewustzijn. Als de aandacht versnipperd raakt, met ieder zijn privémeninkje, dan raakt het bewustzijn verdund. Ook al komen die meningen toevallig overeen met die van de buurman, omdat men dezelfde kranten leest en naar dezelfde tv-programma’s kijkt. Er is een groot verschil tussen een mening delen en dezelfde mening hebben.Zo schiet de blogosfeer als platform tekort. In zijn huidige vorm is het geen verbetering ten opzichte van de klassieke media. Uiteraard zijn er veelgelezen en zelfs invloedrijke blogs. Deze blijken vaak volgens traditionele criteria gemaakt. Met een betaalde redactie en betaalde schrijvers, waar je met een wat meer afwijkende mening net zo moeilijk tussen komt. Voor een deel zijn die “nieuwe media”, net als de gewone pers, irrelevant: ze hebben geen aandacht voor politieke zaken maar vooral voor personen. Het zijn in feite internet-kranten. Zowel voor de klassieke als voor deze nieuwe kranten geldt dat, voor zover het om politiek relevante bijdragen gaat, zij steeds meer plaats inruimen voor mening en interpretatie en minder voor analyse en debat. Ze brengen mensen niet bij elkaar, maar laten ze eindeloos langs elkaar heen praten. Waar het vooral aan ontbreekt, is een mechanisme voor beloning en straf. Goede bijdragen worden meer gelezen dan slechte, zo is het nog wel. Maar dat op zichzelf lijkt onvoldoende.Ofschoon men zou kunnen denken dat dit “laat honderd bloemen bloeien” non-beleid goed is voor democratisch gezond functionerende media is het tegendeel waar. In democratie gaat het om meningswisseling die uiteindelijk richting moet bepalen en dan is een langs elkaar heen pratende kakofonie zeer ongewenst. Het lijkt misschien wel alsof er evenveel meningen als mensen zijn, maar dat valt behoorlijk tegen. Zeker als men het over serieuze, dat wil zeggen mogelijk te realiseren ideeën heeft. De meningsvorming is gebaat bij een zekere concentratie van duidelijk van elkaar te onderscheiden richtingen.Het bestuur van mediaEr is pas sprake van commucratie als een relevante mening op het juiste platform geuit kan worden. Wat is dat, “relevant”? Iemand kan van alles vinden en roepen maar dat maakt het nog niet “relevant”. Naarmate een voorstel (een uiting) verder afwijkt van het gangbare. zou dat beter onderbouwd moeten worden om relevant te zijn. Vooral dient meer aandacht te worden besteed aan hoe van de huidige praktijk zou kunnen worden overgegaan op de voorgestelde situatie. Daarmee komt de lat hoger te liggen, naarmate de ideeën zich over een groter deel van het maatschappelijk leven uitstrekken.De mogelijkheden voor een uiting onder de hiervoor genoemde condities zijn beperkt. Zelfs al zou er een onbegrensde publicatiecapaciteit zijn, dan nog wordt zij begrensd door de tijd die de deelnemers, en vooral de ontvangers van de mening, kunnen besteden aan het kennisnemen van en het reageren op de verschillende standpunten (en daar nog liefst in de vorm van een uiteindelijk standpunt verantwoording over afleggen). Om te beginnen wordt het leeuwendeel van deze capaciteit toegewezen aan professionals die hiervoor zijn aangesteld. Ik reken hier gemakshalve ook de ingezonden stukken van parlementariërs en professionele belangenvertegenwoordigers toe. Voor de niet-professional schiet maar een zeer beperkte, te kleine, ruimte over. En dan nog alleen in de geschreven media. Een uiting voor de radio of televisie is vrijwel onmogelijk. Als er al niet-professionals aan het woord komen is dit vrijwel altijd op uitnodiging van de redactie en door die redactie geregisseerd. Meestal op grond van de “sappigheid” van hun belevenissen of uiterlijk en niet op grond van politieke relevantie. Probeer maar eens je mening bij DWDD of Pauw te uiten.Dit legt een grote verantwoordelijkheid bij degenen die de verdeling en toegang tot deze ruimte bewaken. Redacties voeren deze bewaking uit zonder enige democratische controle. Ze hoeven geen verantwoording aan het publiek af te leggen en ook niet tegenover hun achterban. Tegen hun beslissingen is geen beroep mogelijk. Voor wat toch een democratisch grondrecht heet te zijn, is dat een schokkende constatering. Je kunt je abonnement of lidmaatschap van een omroepvereniging of krant opzeggen. Als je geld teveel hebt kun je advertentieruimte kopen. Dat is het wel zo’n beetje. Bij de huidige ontwikkelingen rond de schrijvende pers is de kans zeer groot dat die ruimte nog kleiner wordt en het beheer daarvan nog schimmiger.Commucratie kent verschillende lagen die ieder bestuurd moeten worden. Iedere burger kan en mag een eigen blog beginnen. In vroeger tijden betekende dat: je verhaal stencilen en bij mensen in de brievenbus te stoppen of op een kistje in het park gaan staan. Maar een gewone burger heeft geen recht om in de Volkskrant te schrijven, in “de Balie” op te treden of in de Tweede Kamer iets te zeggen. Of iemand recht heeft om op een hoger niveau – met een groter of machtiger publiek – te communiceren zou in de eerste plaats af moeten hangen van de relevantie van wat hij of zij te zeggen heeft. Een tweede mechanisme waarmee de commucratie bestuurd wordt is het toekennen van spreekrecht aan posities. De verkiezing tot die posities zou afhankelijk moeten zijn van de standpunten die de kandidaten – al dan niet verenigd in partijen – daar zeggen te zullen innemen. Dat is lang niet altijd het geval. Er wordt veel meer gelet op voorkomen en welke groep men zegt te vertegenwoordigen. Deze selecties worden bewaakt en gereguleerd door besturen en redacties.De verstrengeling van media en machtIn de praktijk doet mijn mening er niet toe, ook al voldoet die aan de eisen van relevantie. De selectie van meningen die tot het publiek mogen doordringen geschiedt op andere criteria, waarbij vooral de status en de populariteit van de persoon van belang zijn. Maar zelfs de meningen van Houellebecq of Dennett, waarvan het grote publiek wel kennis heeft kunnen nemen, zijn maar van beperkte waarde. Er is vooral de waan van de dag. Een toevalligheid, geproduceerd door de media, die morgen verdwenen is en over een jaar weer terugkeert. Ondertussen draait de wereld door, en schijnt die steeds meer “vanzelf” te veranderen en niet door meningen uit het publieke debat. Vroeger was er nog wel eens een auteur of acteur, al of niet collectief, aan wie men een bepaalde verandering gedeeltelijk kon toeschrijven. Dat is nu voorbij. Publieke discussies hebben plaats gemaakt voor besloten onderhandelingen tussen belangengroepen, waarbij het “algemeen belang” gemakkelijk uit het zicht kan raken en er gezocht wordt naar compromissen in plaats van oplossingen.Dat journalisten en redacties voor nieuws afhankelijk zijn van een goede relatie met de macht hoeft niet te verbazen. Zelfs als er geen direct verband bestaat tussen de (advertentie-)inkomsten van het medium en de organisatie of gebeurtenis waarover bericht wordt, wil men ”in gesprek” blijven. Informatie die niet door de macht gesanctioneerd is, wordt steeds schaarser en het kost vaak veel inspanning om die te verwerven. De relatie wordt door een ongewenste mening snel verstoord. Het verstrekken van ongeautoriseerde informatie door anderen binnen een organisatie is over het algemeen verboden en heeft meestal ontslag en soms gerechtelijke maatregelen tot gevolg. Deze afhankelijkheid levert partijdigheid op. De oriëntatie op de macht heeft een schijn van neutraliteit; de relatie met de werkelijkheid lijkt optimaal en daarmee “objectief”, maar feitelijk trekken de media daarmee partij voor die macht. Dit is een ontwikkeling die aan de ridders van de absolute vrije meningsuiting voorbij gaat, maar die uiteindelijk vele malen schadelijker is dan het al of niet kunnen publiceren van een cartoon. Voor werkelijk vrije meningsuiting is behoefte aan partijdige media. Het laffe zogenaamde “niet willen kiezen” (maar in feite kiezen voor de status quo) om niemand voor het hoofd te stoten dat de huidige mainstream media kenmerkt, leidt uiteindelijk tot het uitdoven van kritiek.De koppeling tussen vermaak, opinie, analyse, (journalistiek) onderzoek en nieuws is zeer problematisch, maar een analyse hiervan valt buiten het bestek van dit boek. Het lijkt er wel sterk op dat naarmate nieuws en opinies voorspelbaarder en conformistischer worden, amusement en amusante opinies belangrijker worden. Een zichzelf versterkend proces waarbij serieuze programma’s of stukken steeds meer moeten amuseren, vluchtiger worden. De verschuiving van de aandacht naar incident en persoon is daar ook een onderdeel van.En dan is er nog de commercie. Zoals al in het begin opgemerkt, is reclame zelden onschuldig. Zij propageert een mensbeeld en levenswijze die geacht worden de verkoop te bevorderen en die propaganda is politiek van aard. Spiegelt een gewenste samenle­ving voor. Het meest bevreemdende hieraan is het schelden van rechts op de “staatsmedia” die van “onze belastingcenten” linkse propaganda bedrijft. Alsof de bedrijven middels hun prijsstelling ons geen belasting opleggen om daarmee de reclame te bekostigen.Voor een alternatieve opzet zie “Democratische media” in Sociaal Humanisme.