Cultuurrelativisme staat voor het idee dat iedere cultuur zijn eigen waarheid heeft en dat die waarheid niet beter of slechter is dan die van een andere cultuur. Het is ongetwijfeld waar dat vele “kritische geesten” van ‘68 het cultuurrelativisme hebben omarmd. Bij gebrek aan een ook maar enigszins revolutionair of veranderings­gezind proletariaat moesten er theorieën komen die het mogelijk maakten andere “onderdrukte” of “uitgebuite” groepen tot dragers van een gerechtvaardigde revolutie uit te roepen, zodat de strijd kon doorgaan. Het betreft vrouwen, homoseksuelen, andere minderheden en onderklassen uit onderontwikkelde landen, zowel daar als naar het Westen gemigreerd. Het is eveneens waar dat velen van hen zich voor die tijd ooit marxisten of in ieder geval communisten hebben genoemd. Zelfhaat en schuldgevoel bij de westerse mens zijn zowel oorzaak als gevolg van het cultuurrelativisme. Vooral de door cultuurrelativisten gepropageerde gelijksteling van islam als even ware en goede cultuur is bijzonder schadelijk.

Een dergelijke wending is vanuit de marxistische hoofdtegenstelling van de kapitalistische maatschappij, die tussen kapitaal en arbeid, niet te verdedigen. En hoewel uit voorgaande blijkt dat deze hoofdtegenstelling in de moderne geschiedenis aan betekenis heeft ingeboet, heb ik nog nergens een beschouwing gelezen waarin wordt uitgelegd waarom en hoe deze bonte verzameling tot een serieuze omwenteling in staat zou zijn. En al helemaal niet op marxistische basis. Het proletariaat is in de moderne maatschappij inderdaad niet meer als bewust of zelfs maar halfbewust georganiseerd subject vindbaar. Maar dat wil nog niet zeggen dat de achtergestelden en onderdrukten in hun algemeenheid dat gat zo maar op kunnen vullen.

Deze wending komt de heersende elite overigens wel goed uit, want zij is een stuk ongevaarlijker. De woede en eventuele ondermijnende activiteiten zijn niet langer gericht tegen de “kapitalist”, maar tegen de schuldige witte man, die overigens ook al nergens in het marxisme opduikt als tegenstander. Het levert een verdeel-en-heers-situatie op waarin allerlei minderheden worden opgezet tegen de witte middenklasse. Bovendien hebben deze groepen minder macht binnen het productieproces.

De oorsprong van het cultuurrelativisme ligt eerder dan ‘68: in de liberaal-humanistische sfeer en bij de mensenrechten zoals die in 1946 zijn opgesteld onder leiding van de antropoloog Levi-Strauss. Een aantal intellectuelen die voor het cultuurrelativisme zijn, of, breder, voor het idee dat de achtergestelden het nieuwe revolutionaire subject zijn, waren ooit marxist. De meesten van hen baseren zich op de eerder genoemde humanistische afwijking (paragraaf 1:stroming B) voor zover ze zich niet volledig van het marxisme afkeerden. Er zijn behoorlijk wat marxistische stromingen of partijen aan te wijzen die het cultuurrelativisme omarmd hebben, evenals zeer veel andere politieke stromingen, met name sociaaldemocratische.

In sommige kringen is het bon ton geworden om onze huidige ideologische crisis toe te schrijven aan “cultuurmarxisme” of “neomarxisme” in plaats van cultuurrelativisme. “Cultuurmarxisme” is terug te voeren op een verkeerd begrip of zelfs een bewust kwaadaardige interpretatie van marxisme. De on- of zelfs anti-marxistische draai naar cultuurrelativisme is niet gestoeld op enige stelling van een marxisme zoals dat in voorgaande is uiteengezet. En dat lijkt een eerste voorwaarde om van wat voor marxisme dan ook te mogen spreken. De term cultuurrelativisme past prima op de verschijnselen die onder cultuurmarxisme worden geschoffeld.

“Cultuurmarxisme” is in de negentiger jaren geïntroduceerd door rechtse, conservatieve krachten in de Verenigde Staten. Daarbij wordt ten onrechte naar Gramsci verwezen omdat die culturele, ideologische strijd minstens zo belangrijk vond als de economische (vakbonds)­strijd. Ook de Frankfurter Schule (Adorno, Benjamin) wordt vaak genoemd als bron en ook dat is niet juist. Zij vonden, evenals Gramsci het bestuderen van cultuur belangrijk als machts­mechanisme waarmee het kapitalisme zich als overheersend paradigma kon handhaven. Dat is binnen het marxisme een zeer legitiem onderzoek en heeft niets met cultuurrelativisme te maken.

De aanduiding “cultuurmarxisme” voor cultuurrelativisme moet zo gezien worden als een poging marxisme tot bron van cultuurrelativisme uit te roepen en daarmee het gehele marxisme te diskwalificeren. In het marxisme in al zijn goede en slechte vertakkingen van de afgelopen 150 jaar is geen bron voor cultuurrelativisme aan te wijzen. Deze ideeën komen van buiten het marxisme, vooral vanuit de culturele antropologie, en zijn door ooit-misschien-marxisten verder ontwikkeld, waarbij ze zich meestal expliciet van het marxisme hebben gedistantieerd.

Als verdere onderbouwing hierbij citaten uit twee stukken. Kellner geeft een nauwkeurige beschrijving van het verloop van de marxistische analyse van de cultuur (en dat is ongeveer het tegendeel van cultuurmarxisme maar wordt in de Verenigde Staten soms ook aangeduid met “cultural marxism”) en het moment waarop die overging in “cultural studies”. De volledige tekst is opgenomen in paragraaf 3. Het tweede is een discussie over “cultural marxism” vanuit de Amerikaanse context, door de auteur van dit boek teruggebracht van 90 naar 10 pagina’s  met daarin ook aandacht voor de reden waarom deze kreet gepropageerd wordt en door wie. Als bewijs van bovenstaand enkele citaten:

“In general, for a Marxian approach, cultural forms always emerge in specific historical situations, serving particular socio-economic interests and carrying out important social functions. For Marx and Engels, the cultural ideas of an epoch serve the interests of the ruling class, providing ideologies that legitimate class domination.”

“The Frankfurt School also provides useful historical perspectives on the transition from traditional culture and modernism in the arts to a mass-produced media and consumer society. In his path-breaking book The Structural Transformation of the Public Sphere, Jurgen Habermas further historicizes Adorno and Horkheimer’s analysis of the culture industry. Providing historical background to the triumph of the culture industry, Habermas notes how bourgeois society in the late 18th and 19th century was distinguished by the rise of a public sphere that stood between civil society and the state and which mediated between public and private interests. For the first time in history, individuals and groups could shape public opinion, giving direct expression to their needs and interests while influencing political practice. The bourgeois public sphere made it possible to form a realm of public opinion that opposed state power and the powerful interests that were coming to shape bourgeois society.

Habermas notes a transition from the liberal public sphere which originated in the Enlightenment and the American and French Revolution to a media-dominated public sphere in the current stage of what he calls “welfare state capitalism and mass democracy.” This historical transformation is grounded in Horkheimer and Adorno’s analysis of the culture industry, in which giant corporations have taken over the public sphere and transformed it from a site of rational debate into one of manipulative consumption and passivity. In this transformation, “public opinion” shifts from rational consensus emerging from debate, discussion, and reflection to the manufactured opinion of polls or media experts.”

“Cultural Marxism is a school of critical theory — i.e., a thing done by and for academics. It is not a political strategy or movement, which is what some rightwingers such as Raleigh Rally seem to believe. Most likely, they believe it because certain dishonest rightwing commentators have been promoting exactly that message.”

“The key is how you define “class”. Marx almost exclusively defined class based on what role you had in production. In practice, this meant that certain cultural groups more often ended up as producers and others as capitalists, but this was in no way central to Marx’s ideas. Cultural Marxists took Marxist (or more accurately pseudo-Marxist) ideas, particularly with regard to class struggle, and applied them to different definitions of class like race, gender, cultural groups, etc. However, this is all pretty obscure mid-last-century stuff. It sounds like the term is being used these days as a code-word by the far right to try to equate multiculturalism and tolerance with scary authoritarian-style communism. I can see why you’d be confused, since I’ll bet most people who throw the term around have no idea what the term actually means (nor any particular handle on what is actually entailed by Marxism of any variety).”

Tenslotte, uit Wikipedia (inmiddels aldaar gewijzigd):

Post-World War II, conservatives remained opposed to socialism and notions of social engineering. Some[who?] argued that “Cultural Marxists” and the Frankfurt School helped spark the counterculture social movements of the 1960s as part of a continuing plan of transferring Marxist subversion into cultural terms in the form of Freudo-Marxism.

“Since the early 1990s, paleoconservatives such as Patrick Buchanan and William S. Lind have argued that “Cultural Marxism” is a dominant strain of thought within the American left, and associate it with a philosophy to destroy Western civilization. Buchanan has asserted that the Frankfurt School commandeered the American mass media, and used this cartel to infect the minds of Americans.[9]”