Jacques de Kadt (1897-1988) was een invloedrijk denker, schrijver en politicus. Doordat Martin Bosma (PVV) in zijn De schijnélite van de valse munters veel naar hem verwijst en zelfs de titel van zijn boek daaruit citeert is zijn boek “Het fascisme en de nieuwe vrijheid” (1939) weer enigszins in de aandacht gekomen. Het is een poging tot analyse van de aantrekkingskracht van het fascisme en, parallel daaraan, een kritiek op het socialisme en communisme, een analyse waarom die falen in de bestrijding van het fascisme.

De kern van zijn analyse, tevens kritiek, is dat waar de fascisten de cultuur (ideologie) boven het materiële welzijn stellen, socialisten en communisten uitgaan van de materiële belangen van het proletariaat en zo het materiële boven het ideële stellen. De Kadt spreekt dan van (het appelleren aan) de “maag-mens”. Hij probeert omstandig aan te tonen, en slaagt daar redelijk in, dat met materiële belangen als uitgangspunt geen politieke kracht kan worden ontwikkeld en dat men het moet afleggen tegen degenen die appelleren aan een “hogere” bestemming. Maar welke cultuur wordt er boven het materiële gesteld? Daar levert hij een vernietigende kritiek op het fascisme en met name op de NAZI-ideologie, die hij aanduidt met “kazernisme” (p138):

“Geen dwaling is groter dan het verwijt zo vaak tot de Nazi’s gericht, dat zij eigenlijk nieuwe ‘materialisten’ zijn, die een soort biologisch en geografisch materialisme van ‘ras, bloed en bodem’ in de plaats van de vroegere materialismen stellen. Zowel biologische als geografische argumenten hebben hun waarde, als ze tot een realiteits-systeem behoren. Maar reeds de gang van biologie-geografie naar ‘ras’, om niet te spreken van het zo mogelijk nog zottere ‘bloed’ en het zinledige ‘bodem’, is een gang van de realiteit naar de metaphysica. En de wijze waarop dan die metaphysica tot een te aanbidden mysterie gemaakt – men zou beter kunnen zeggen ‘geneveld’ – wordt, maakt het voor alle onderzoekers duidelijk, dat we hier met een typische ideologie te doen hebben en dan nog wel met het slechtste soort ideologie, nl. met een religie, die in staat van wording, in haar mythologische faze verkeert. En terwijl een dergelijke toestand bij primitieve barbarenvolken – volken die nog niet aan de ‘cultuur’ toe zijn en wier eerste, onbeholpen, poging om tot cultuur te komen, juist in het vormen van een mythologische religie bestaat – een uiting van levenskracht en van wil tot inzicht geacht kan worden, en als zodanig te waarderen is, moet men het verschijnsel bij een oud cultuurvolk als het Duitse, geheel anders beoordelen. Men kan er dan slechts een regressie, een terugval in de barbaarsheid, een vlucht in de ziekte in zien.”

(p161):

“Dit bewijst dat het fascisme, ook zonder een voedingsbodem als in Duitsland, tot een macht kan worden, dat het vanuit allerlei oorsprongen kan opkomen, en dat het wel nergens precies gelijk zal zijn aan het Duitse (of Italiaanse), maar er toch enige hoofdtrekken mee gemeen zal hebben, waarvan het ‘kazernisme’, de totalitaire, geheel op de oorlog gerichte en ingerichte, staat, de voornaamste is.”

Maar hij analyseert ook de aantrekkingskracht (p195):

“Het fascistisch ideaal van het heroïsche is ongetwijfeld: Sparta, of dat van alle goden verlaten Sparta, dat Pruisen heet.

Accoord. Maar het heroïsche ideaal der fascisten kon indruk maken, omdat men er geen Atheens, doch alleen maar een comfort-ideaal tegenover wist te stellen. Aan wie de schuld, dat het zo was? Toch zeker alleen aan de socialisten en democraten, die om het heroïsche grinnikten. Toch zeker aan allen, die niet begrepen, dat zij die naar eer en grootsheid streven, het zout der aarde, minderwaardig zijn aan zij die het comfort boven alles stellen. Waar de dingen zo stonden, dat de ene partij de mensen toeriep: probeer zo veel mogelijk materiële voordelen te verkrijgen; en de andere partij: niet in het ontvangen, maar in het geven, in het offer, in de toewijding, in de ontbering en in de strijd ligt uw grootsheid – daar moet ons oordeel luiden: Men kan met het fascisme twisten over het ‘waarvoor’ en ‘waartoe’, maar niet over de juistheid van de opvatting, dat de schenkende en scheppende deugden en de heroïsche opvatting van het leven het primaat dienen te hebben.”

Hij ziet als oplossing dat de socialistische beweging eveneens de cultuur boven de materiële belangen gaat stellen. Maar dan uiteraard een goede cultuur. Een dergelijke cultuur kan volgens de Kadt alleen ontstaan vanuit een nieuwe elite, die daarmee het vertrouwen van de massa’s moet winnen. Interessant in dit kader is zijn visie op democratie (p196):

“Alweer, als men zich tegen het fascisme richt, moet men zich niet richten tegen het leiders-beginsel, dat niets anders is dan het constateren van het feit, dat in de politiek, zowel als in de kunst, in de wetenschap evengoed als in de religie, leidende persoonlijkheden aanwezig zijn, wier betekenis moeilijk hoog genoeg kan worden geschat. Noch de rol van den leider, noch die van de scheppende minderheden kan men ontkennen, zonder tot ongerijmdheden te komen. En ongerijmd is een democratie, die zich niet tot taak stelt op alle gebieden de beste leiders naar voren te brengen, en de werkmogelijkheden van de scheppende persoonlijkheden en van de scheppende minderheden voortdurend te vergroten. Een democratie zonder zin voor grootheid, in mensen en in daden en instellingen, is zo verachtelijk, dat ze de ondergang verdient; En men kan niet ontkennen, dat we een periode van de democratie-der-onbenullen achter de rug hebben en dat we ten dele nog in zo’n periode leven. Men behoeft dan niet aan de mythe van den ‘Führer’ te geloven, om toch hartelijk zijn bekomst te hebben van staatslieden zonder ideeën en zonder kracht, van ministers zonder kennis, kamerleden zonder intelligentie, en partij-leiders, die door de partij-machine ‘voor het gebruik geschikt’ worden afgeleverd.”

om uit te monden in (p257):

“Democratie is de toestand, waarin de maatschappelijke positie der individuen niet berust op een behoren bij een bepaalde groep, niet berust op afstamming, bloed, ras, bezit, organisatie, maar uitsluitend op capaciteit. Democratie is de toestand, die gelijke rechten voor allen als uitgangspunt heeft, zodat de toestand die uiteindelijk ontstaat, berust op het resultaat der ongelijke capaciteiten.”

Een definitie die de nodige problemen oproept, vooral omdat de vraag niet gesteld wordt op hoe de ongelijke verdeling van de capaciteiten afhangt van juist het behoren tot een bepaalde groep of het “hebben” van een bepaalde afstamming. Overigens komt hiervoor eerder de term “meritocratie” in aanmerking. Uiteindelijk komt hij tot een weinig praktische definitie van de (goede) elite:

“Als wij over een élite spreken, en we doen dat in democratische zin, dan bedoelen we daarmee de mensen die de hoogste en de meest oorspronkelijke prestaties leveren op het gebied der cultuur (in haar volledige omvang gezien, dus de materiële sfeer inbegrepen), en die dat doen op het ogenblik dat we die élite proberen vast te stellen. Dit houdt in, dat een élite een altijd wisselende samenstelling heeft, omdat de individuen die haar vormen hun capaciteiten kunnen verliezen; men behoort alleen tot een élite zolang men élite-werk levert. En dit betekent dus, dat men niet benoemd of aangesteld kan worden tot lid van een elite, dat de ‘élite’ geen aanwijsbaar college is, dat op de een of andere wijze macht uitoefent, doch niets anders dan het aanwezig zijn van een aantal bijzondere mensen die ieder op hun gebied bijzonder werk leveren, en die daardoor invloed uitoefenen op de cultuur. Reeds het feit dat de meningen sterk zullen uiteenlopen over de vraag: wie behoort tot de élite? maakt, dat wat wij hierboven over élite schreven, slechts het schematiseren van een proces is, niet het propageren van het instellen van colleges, groepen of standen. Wie tot de maatschappelijke élite behoort, dat blijkt in tal van gevallen eerst achteraf, als het door de tijdsafstand mogelijk is geworden de betekenis van personen en hun werk te overzien. Waar het dus op aan komt, dat is het besef dat er een maatschappelijke élite moet zijn, wier opvattingen richtinggevend behoren te zijn, zodat men moet pogen, die élite te ontdekken in haar werk, en zich van de betekenis van dit werk te doordringen. De élite-gedachte is dus een richtinggevende gedachte voor het functioneren van de maatschappij, het is geen propaganda voor een maatschappelijke instelling.”

Behalve mijn probleem met “democratie” hierboven is er het probleem dat men pas achteraf kan vaststellen wie de elite is, als die gelijktijdig richting moet geven. Men moet die dan op eigen kracht ontdekken. Een onmogelijke opgave.

Zijn kritiek op de gemiddelde intellectueel van die tijd, die feitelijk z’n best zou moeten doen om die elite te vormen moet ook geciteerd. p 130:

“De cultuur der intellectuelen is dan een wereldvreemde intelligent-doenerij, een soort bedenken van kruiswoordraadsels en andere ingewikkelde spelletjes op het gebied van filosofie, kunst e.d., waarbij ongelooflijke hoeveelheden intelligentie en virtuositeit gebruikt worden om zichzelf het gevoel te geven dat men iets heel ongewoons zegt en denkt en is, terwijl men in werkelijkheid alleen maar z’n uitgangspunt verloren heeft, z’n verbindingen met de wereld en de maatschappij is kwijtgeraakt, en alleen nog maar een gevangene is van een terminologie die zinneloos is geworden, aangezien alleen een terminologie die betrekking heeft op natuur en maatschappij zin heeft.”


Reacties

De Kadt en het historisch-materialisme — Geen reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *